zaterdag 12 mei 2007

Boven de wolken

En toen, zomaar, op een moment dat ik het niet verwachtte, op een moment ook dat het niet hoorde, was ik boven de wolken.
We reden met de auto tegen een berg op in het niemandsland in het zuiden van Bosnië-Herzegovina, onder een stralende ochtendzon die nog druk bezig was de schemering tussen nacht en dag, tussen droom en werkelijkheid uit de lucht en uit onze hoofden te verjagen. Rechts van de haarspeldbocht een dal opdook waar een dicht wolkendek boven hing. Omdat de aanblik te mooi was om achteloos aan voorbij te gaan, besloten we langs de weg te parkeren en daar te ontbijten.
Het had nog het meest weg van een dik wollen tapijt dat zich uitstrekte tot aan de bergwand aan de overkant van het dal, dat samen met de donkere bergen en de strakblauwe lucht een fantasmagorische hemelse kathedraal vormde. De verleiding op deze witte wolkenzee te stappen, als Jezus op het water, was groot. Gelukkig stonden er een vangrail en een hekje voor de afgrond
Het leek ook op een enorme kudde schapen, samengepakt in een veel te kleine ruimte. Daar kun je helemaal beter niet tussen gaan staan.
Het liefst was ik een poosje helemaal alleen boven de wolken geweest, het liefst had ik de anderen even laten verdwijnen om te voorkomen dat ze door het uitzicht en de stilte heen zouden praten, maar er stonden ‘wetten in de weg en praktische bezwaren’ om te spreken met Willem Elsschot.
Daarom ging ik twintig meter verderop staan met mijn rug naar ze toe, om even alleen te zijn met mijn uitzicht. Inderdaad, op dat moment míjn uitzicht, mijn droom.
Wie wel eens gevlogen heeft, zal misschien zeggen ‘boven de wolken, en wat dan nog’? En het is ook zo, een groot deel van het leven speelt zich tegenwoordig boven de wolken af. Maar ik heb nog nooit gevlogen, voor mij was het de eerste keer dat ik de bovenkant van de wolken zag.
Het maakt ook eigenlijk het helemaal geen verschil, wolken zijn van boven en van onderen precies gelijk. Natuurlijk wist ik dat al wel, maar ergens was ik verbaasd dat het echt zo was. Misschien waren ze witter van boven, maar dat komt omdat de zon bovenop de wolken schijnt en niet er onder.
Trouwens, na een paar minuten was het alweer gewoon geworden en werd het tijd voor een kop koffie, een broodje, een plas en, zoals het hoort op vakantie, een digitale foto.
Toen we ons ontbijt op hadden, werd ik met mijn grootse uitzicht en de anderen vastgelegd in enen en nullen. Daarna was het de hoogste tijd om in te pakken en verder te gaan. We moesten nog een heel eind, en er zouden nog heel veel unieke plaatjes volgen.

Wat zeg ik tegen een rolstoel?

Hoe vaak gebeurt het niet dat u iemand tegen komt in een rolstoel of scootmobiel, waarvan u denkt ‘die kon wel eens eenzaam zijn of ongelukkig, laat ik daar wat tegen zeggen.’ Of dat u denkt, misschien kan ik hem of haar eens opvrolijken met een grapje of kwinkslag. Grapjes vormen een beproefd middel om een gevoel van onderlinge verbondenheid te uiten. Mensen die grapjes met elkaar maken hebben samen iets.
Nu heeft u een punt als u zegt dat rolstoelgebruikers niet tot de gemiddeld gelukkigste categorie mensen behoren, en vaak ook niet overlopen van de sociale contacten. De wens om een eventueel isolement te doorbreken is dan ook lovenswaardig.
De vraag is nu hoe dit concreet gemaakt kan worden. Oftewel, wat zeg je tegen een gehandicapte.
U weet niet of hij geïnteresseerd is in politiek, voetbal of het weer, of hij op de hoogte is met de laatste mode of de nieuwste auto’s en roddels, en ook niet of hij dat überhaupt wel begrijpt. Over partners en kinderen begint u maar beter helemaal niet, want dat is een moeizaam onderwerp in gehandicapte kringen.
Maar zoals gezegd, een grapje of kwinkslag is een uitstekend middel om verbondenheid of op zijn minst de intentie daartoe te tonen.
Een goede ingang bij gemotoriseerde gehandicapten is de opmerking ‘heb je hem al opgevoerd?’ Een kans voor open doel krijgt u als u een gehandicapte in de achteruit ziet: ‘Heb je geen achteruitkijkspiegels?’ dus.
Sowieso tutoyeert u de gehandicapte te allen tijde, want alles wat afstand kan scheppen moet worden vermeden. Als een gehandicapte u kruist en u en de gehandicapte en u op elkaar moeten wachten, roept u ‘snelverkeer gaat voor.’ U maakt dan ook een vriendelijke geste door de gehandicapte voor te laten gaan. Als u ziet dat een gehandicapte zich een weg moet banen door een massa mensen, of in een rij staat te wachten, roept u ‘zit er geen toeter op?’ Het mooist is om dit te doen in situaties waar dit volkomen ongepast is, zoals in een concertzaal, bij een lezing of in een kerk. Als u dit met enig volume doet heeft u bovendien kans dat ook anderen kennis maken met uw gevoel en humor.
Andere suggesties zijn ‘heb je ook GPS’, of u begint over autoradio’s met bassboost, ‘mag je wel rijden met alcohol op’ als u een rolstoel met een biertje ziet, en op straat roept u een scootmobiel ‘hé, de maximumsnelheid is hier 50’ na.
U ziet, het is helemaal niet zo moeilijk om met een rolstoel in gesprek te komen, mits u zich maar over uw schroom heen zet en gebruik maakt van uw creativiteit.

Zie, de Menz

Niet goed genoeg volgens Hugo

De magische datum van 1 maart is geweest. Iedereen heeft nu een nieuwe, veranderde of dezelfde ziektekostenverzekeraar gekozen, iedereen heeft de verzekering die bij hem past.
Ik ben niet veranderd, ik ben Menz gebleven. Weliswaar een vernieuwd soort menz, want voorheen ‘zat ik gewoon bij Geové‘, maar ik ben bij de zelfde verzekeraar gebleven. Ik hou niet van veranderen.
Je wordt tegenwoordig toch al platgebeld door bedrijven die willen dat je verandert. De telefoon, de elektriciteit, het internet, het gas. Allemaal zitten ze ónder de prijs van de concurrent, allemaal hebben ze informatienummer dat gratis is, in tegenstelling tot de concurrent, en allemaal hebben ze het beste met je voor. Een maand later is die ander weer goedkoper en wil die ook nog wel de vorige voor je opzeggen. Je vrienden verklaren je voor compleet geschift als je niet regelmatig verandert.
Alleen als het echt moet verander ik, en dan nog met tegenzin.
Menzen vormen een aparte categorie Nederlanders. De menzen worden weer onderverdeeld in verschillende soorten, zoals de oude menz en de jonge menz, de actieve menz, de sportende menz, de rechtop lopende menz, de denkende menz, de werkende menz, de creatieve menz, en noem maar op. Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt wel menz zijn.
De menz staat centraal in alle veranderingen, zegt Roger van Boxtel, opperhoofd der menzen, in het voorwoord van het Menzismagazine, kortweg ‘Magazine’ genoemd. Hij zegt dit om de zeer menselijke angst om zoek te raken in één of ander systeem weg te nemen. Je zult niet de eerste zijn die zoek raakt..
Van Boxtel, wie kent hem nog. Ooit was hij één van de drie veelbelovende krullenbollen die namens D66 het parlement bestormden. Toen hij later minister werd van grote steden, bestuurlijke vernieuwing, Antilliaanse zaken of weet ik wat ze D66 in dat kabinet voor papje hadden voorgezet, toen was hij eigenlijk nog steeds een veelbelovende krullenbol.
Nu kijkt dat vriendelijke gezicht vol eeuwig talent mij aan vanaf de foto boven dit voorwoord. En ik moet toegeven, ik krijg zowaar een warm gevoel bij het zien van deze glimlachende Übermenz. Ik krijg er al bijna zin in, een nieuwe Menz worden.
Kwa kosten blijken al die verzekeringen lood om oud ijzer te zijn.
Maar bij Achmea moet ik denken aan Indianen, bij Agis aan mensen met spleetogen aan een lopende band, schroefjes en moertjes, en robots. Iets met Friesland kan niet voor mij als Oergroninger, en ik wil ook niet voor eeuwig achtervolgd worden door de stem van Martin Ros, met z‘n mannetjes die het regelen.
In de reclamespotjes op TV, betaald van ons premiegeld van vorig jaar, trekt een stoet voorbij van vrolijke, onbezorgde, zich volkomen veilig voelende want goed verzekerde menzen. Al die blijheid, al dat zelfvertrouwen, zo domweg gelukkig kunnen zijn, dat is waar ik mijn leven lang naar verlangd heb. En nu is het binnen handbereik.
Met tranen in mijn ogen vul ik mijn polis in, en vergeet bijna er bij te zetten dat ik een studerende menz ben. Scheelt toch gauw weer 12 euro per maand.

Nieuw origineel

Inleiding tot mijn val bij het ND

Een herboren Rembrandt blikt ons monter aan vanaf zijn muur in het Mauritshuis in Den Haag.
Het afgelopen jaar is zijn laatste zelfportret volledig gerestaureerd en in oorspronkelijke staat terug gebracht, door restaurator Carol Pottasch. Opgepimpt, zouden ze zeggen bij de EO.
Bij 2Vandaag zien we hoe Rembrandt van z’n plaats wordt gehaald, hoe Pottasch eerst een röntgenanalyse van hem maakt om vast te stellen welke verflagen origineel zijn en welke niet en waar beschadigingen zitten. Daarna schraapt ze heel voorzichtig de oude beschermlaag weg, en de verflagen die niet door Rembrandt zelf zijn geschilderd. Als de vernislaag half verwijderd is wordt zichtbaar hoe de oude meester de afgelopen vierhonderd jaar is vergeeld. In zijn diepere lagen blijkt Rembrandt een veel blekere, natuurlijker huidskleur te hebben.
Tussendoor worden we bijgepraat over Rembrandts leven, over hoe hij ten tijde van het schilderen van dit zelfportret eenzaam en verbitterd was en financieel aan de grond zat door zijn uitbundige levensstijl,
Het was de avond van de oorspronkelijkheid, laatst bij 2Vandaag. Een onderwerp eerder waren we in Nijmegen, waar onlangs per referendum werd besloten tot herbouwen van de historische donjon. Ooit was deze verdedigingstoren onderdeel van Karel de Grote’s kasteel Valkhof. De afgelopen eeuwen is hij langzaam uit elkaar gevallen.
Nu staat er een replica, die moet laten zien hoe het vroeger was. Inmiddels zijn er comités’s voor en actiegroepen tegen. Een raadslid van Nijmegen Nu, hij ziet er uit alsof hij ooit een gedicht heeft geschreven, legt uit dat vanuit historisch oogpunt de toren herbouwd moet worden. Hij begint daarop richting de replica te declameren, met woorden als ‘prachtig’ en ‘kracht’ en ‘macht’. Iemand van een comité benadrukt dat het interessant is voor toeristen en dus voor de Nijmeegse middenstand.
Maar ook tegengeluid: ‘Wie de oude donjon wil zien loopt maar even het museum in, maar je maakt geen imitatie. Dat is een ontkenning van geschiedenis’. De stad heeft een nieuw gezicht en dat moet nu gekoesterd worden.
Originaliteit is in tegenwoordig. Wie of wat niet origineel is, hoort er niet bij.
Bij historische objecten wordt meestal de oudst bekende versie als origineel beschouwd.
Maar geschiedenis is een opeenstapeling van mooie en lelijke dingen, van dingen die komen en die weer verdwijnen, van successen maar ook miskleunen en dissonanten. De zoektocht naar het origineel ontaardt vaak in het kiezen van een mooi of glorieus moment, maar heeft niet zelden meer te maken met antiquariaat en nostalgie dan met geschiedenis. Soms, zoals bij een monument in Groningen, wordt tot in de rechtszaal gevochten over wat de ware geschiedenis is.
Maar een kunstwerk als het zelfportret gunnen we zijn originaliteit, en Carol ‘wil het niet mooier laten lijken dan het is’. Een hele geruststelling.
We zien haar de laatste hand aan het schilderij leggen. Er moet nog even een nieuwe beschermlaag overheen, en ik hou mijn hart vast wanneer ze met forse streken de vernis er op smeert.
Het resultaat mag er zijn, Rembrandt is weer helemaal zichzelf. De meester wordt weer op zijn plaats gehesen. Hij is klaar voor het jaar dat aan hem gewijd is en klaar voor de stromen publiek. Carol staat er bij te stralen, op haar allermooist.
‘Het is een trotse schilder geworden, terwijl hij eerst een kleine man was’, jubelt ze, ‘Ik heb nu het idee dat hij me zelfverzekerd aan zit te kijken’.
Ik denk, dat zou mij net zo vergaan als ik een jaar lang door haar onder handen was genomen.

Onbetekenend

In opdracht van Koos van Zomeren

‘Hij was een onbetekenend man en er was geen enkele reden waarom iemand hem van zijn kantoor naar het station zou volgen.’
Met dit staaltje zelfinzicht kondigt hoofdpersoon Blake al vroegtijdig aan waar het verhaal, De trein van vijf uur achtenveertig van John Cheever, op uit zal lopen. Zijn belager, juffrouw Dent, zal zich de kogel besparen en er genoegen mee nemen Blake voor haar in de modder te laten kruipen.
Korte tijd daarvoor had Blake wanhopig geprobeerd ‘zijn idee van de werkelijkheid bevestigd te zien, van een wereld waarin zich tenslotte niet zo heel veel ernstige moeilijkheden voordeden’. Zonder succes. Hij zat op dat moment in de trein met naast zich een labiele vrouw die een geladen pistool op zijn buik gericht hield, ‘en hij had intense spijt – misschien wel voor het eerst in zijn volwassen bestaan.’
Als lezer ben je dan al bijna zover dat je hoopt dat juffrouw Dent er maar iets spectaculairs van zal maken.
Maar of ze nu haar verhaal kwijt wil aan de man van wie zegt te houden en die ze haat, of dat ze zich wil wreken op de man die haar het leven onmogelijk had gemaakt en haar had gebruikt (zoals hij zoveel vrouwen gebruikte), of dat ze hem tot enige zelfkennis wil brengen – ze komt tot de conclusie dat hij inderdaad te onbetekenend is voor elk van deze mogelijkheden.
‘Hij ging staan en raapte zijn hoed op van de grond en liep naar huis’, laat Cheever het verhaal eindigen in een welhaast onrealistisch aandoende gewoonheid. Het is gelukkig het laatste wat we van Blake vernemen. Hij zal zijn idee van de werkelijkheid wel spoedig terug vinden.

Berend Borrel

Aan het begin van de Herestraat in Groningen, tegenover de Bakker Bart, staat een morsig mannetje met een verwarde kuif en een blonde stoppelbaard. Naast hem op straat ligt een bos rozen. ‘De nieuwe Riepe’, roept hij de voorbijgangers na. Aangezien de Groninger straatkrant normaalgesproken op de eerste dag van de maand verschijnt, is dit op 23 juni enigszins vreemd. Maar ik heb de editie van deze maand nog niet gelezen, dus na mijn portomonne op kleingeld te hebben gecontroleerd, draai ik me om en vraag een krant.
Ik schijn het getroffen te hebben, wil de verkoper mij duidelijk maken. Als ik nu een exemplaar koop, krijg ik van hem een… ik kan het niet verstaan. ‘Een horloge?’ vraag ik verbaasd. ‘Een roos’, lispelt de verkoper, die wat moeilijk uit zijn woorden komt. Dat had ik kunnen weten.
In tweede instantie heb ik het ook getroffen dat ik uitgerekend bij hem een Riepe koop. Naar eigen zeggen is hij namelijk de bekende Berend Borrel, die zowel stripheld als –tekenaar van de Riepe blijkt te zijn. De strip kende ik wel, dat het zo’n autobiografisch zou hebben had ik niet verwacht. Ik bekijk hem nog eens goed, en constateer dat de verkoper inderdaad op de stripheld lijkt. Berend biedt aan om de strip voor mij te signeren. Ik leen hem mijn pen, hij komt bijna tegen mij aan staan. De lucht die hij verspreidt is voor mij het laatste bewijs: ik sta hier tegenover de enige echte Berend Borrel.
We praten wat over de Riepe, ik geef hem twee euro, hij zet een stuk of drie handtekeningen (zoveel stripjes gaan er op een pagina). Ik moet zeggen, hij heeft wel enig talent.
Bij de dame waar ik later op de dag op bezoek ga, maak ik een goede beurt door de roos die ik haar spontaan aanbied. Koop dus de Riepe, ’t is geen geld en je hebt er een boel plezier van.

Oude koeien

De dertig miniatuurkoeien die vanuit de vensterbank over mijn bureau staren, hebben als grootste nut dat ze een van de weinige tastbare herinneringen vormen aan een voorbij verleden.
Behalve de zes anonieme blaarkoppen, gespot op het Groningse hogeland, hebben ze allemaal een naam, en verwijzen ze elk naar een koe die ooit in vlees en bloed op de boerderij van mijn opa rondliep.
Trees, klein maar hard, moeder van diverse mooie, productieve dochters. Daarnaast één van die dochters, Thea, groot, glanzend donker, sterk, prachtig om te zien. Foekje, altijd op de vlucht voor alles in de buurt kwam, altijd even onhandelbaar. Kreeg een treurig einde toen ze in een wilde sprong haar pezen in de heup scheurde en naar de noodslager werd afgevoerd.. En Tineke 9, die niet zoveel gaf maar waar opa een zwak voor had omdat ze zo helder uit de ogen keek.
De boerderij van opa, waar ik vroeger ieder vrij moment te vinden was, waar ik van iedere koe de naam, de afstamming en ongeveer de productie wist. Waar ik even moest slikken bij iedere koe die in het holst van de nacht door de veekoopman werd opgehaald, op de laadklep de eerste stappen zette richting het slachthuis. De boerderij met haar geheel eigen mystiek, waar ik alles wist maar bijna niets begreep, daarin was ik thuis.
Nu staan ze daar, als verwijzingen naar een verleden dat zich steeds verder verwijdert van het hier en nu.
Opa is dood, alle koeien uit die tijd ook, de boerderij is van zijn geheimen ontdaan en de herinnering verdwijnt langzaamaan naar een klein hoekje van mijn geheugen, lost op in iets ondefinieerbaars.
Maar niet deze dertig representanten van een prachtige mythe waarvan ik de enige ben die haar kent. Ik wissel even een blik met de immer starende koppen, met mijn vergane glorie.